$currentPage/titel

Een interview met drie generaties Van Boetzelaer op Eyckenstein

Het instandhouden van een terrein van 360 hectare, met daarop het landhuis, bijgebouwen, tuin, park en een productiebos. Hoe pak je dat aan? Een halve eeuw geleden was dit nog een fulltime baan. Nu besteedt de buitenplaatseigenaar ongeveer de helft van de tijd aan deze taak en combineert hij deze met een baan. De zorgen worden er niet minder om: beperkende wet- en regelgeving, teruglopende subsidies en regels rondom veiligheid zorgen voor hoofdbrekens. Toch zijn de drie generaties het erover eens: het runnen van een buitenplaats is iets bijzonders en het bewaken van dit cultuurhistorische erfgoed is een belangrijke taak.

Drie generaties Van Boetzelaer op Eyckenstein. Bron: Landschap Erfgoed UtrechtIn 1876 werd Eyckenstein eigendom van de familie Van Boetzelaer, een adelijk geslacht waarvan de eerste vermelding rond 1200 is aangetroffen. Direct na de Tweede Wereldoorlog in 1946, kwam Rutger Wessel  van Boetzelaer (1918) met zijn ouders op Eyckenstein wonen. Na  het  overlijden  van  zijn  vader  in  1954 heeft hij (toen  nog  samen  met  zijn  moeder)  Eyckenstein  geërfd,  waarna  hij  in  de  oostvleugel  is getrokken. Evenals zijn vader en grootvader heeft hij vele jaren in het Waterschap gezeten. Het grootste deel van zijn tijd besteedde hij aan de buitenplaats: vooral de administratie was een omvangrijke taak. Ook vergde het onderhoud veel tijd. Voor de tuinen en het park waren een vaste tuinbaas en een aantal tuinknechten in dienst. Van Boetzelaer senior hielp zelf graag een handje bij het groenonderhoud, het liefst met 'blessen'; het merken van bomen die omgezaagd moesten worden. Hij deed dit met een blesmes, een soort kapmes waarmee een stuk bast van de boom werd afgeslagen.

Herstelwerkzaamheden in de geest van Springer

Tegenwoordig worden deze onderhoudswerkzaamheden uitbesteed aan derden: zo zijn er een hovenier, een bosgroep en een loonwerker voor de paden in dienst. Herstelwerk vergt echter aansturing. Dit geldt ook voor het herstel van het enorme park dat is aangelegd door tuinarchitect L.A. Springer. In de oorspronkelijke opzet bevatte het een vijver, slingerende paden, grote gazons en diepe, door bomen omlijste vergezichten die het gehele park doorsneden. Doordat delen van de open grasvelden tegenwoordig volledig met bos zijn bedekt, zijn sommige doorkijkjes verloren gegaan. Nu wordt geprobeerd de zichtlijnen te herstellen, evenals resten uit het vroegere 'sterrenbos'. Dit is een bos met paden die vanuit een middelpunt straalsgewijs naar de uiteinden lopen en daarmee een ster vormen. Daarbij is de opvatting dat er niet wordt teruggerestaureerd naar het oorspronkelijke ontwerp, maar dat de aanpassingen worden gemaakt in de geest van Springer. Het eindresultaat moet namelijk wel te onderhouden zijn.  De platanen uit het Springerontwerp staan er bijvoorbeeld niet al te florissant bij, een ander vergelijkbaar type boom zou het beter doen op de grond van het landgoed.

Economische dragers

Otto  Maximiliaan  van  Boetzelaer (1955), tevens woonachtig met zijn gezin  op Eyckenstein, heeft  nu  het  beheer  van  het  landgoed  in  handen. Hij geeft aan dat cultuurhistorische waarden soms botsen met economische waarden: "Het liefst wil je een natuurgebied met een gevarieerde beplanting waarbij oude elementen zoveel mogelijk in stand worden gehouden. Maar houtproductie vormt ook een van de economische dragers van de buitenplaats. Een bos met alleen douglassparren mag dan veel saaier zijn, het zorgt wel voor een optimale houtproductie. En als er subsidiegeld beschikbaar komt, is dit vaak niet genoeg. De twee historische kassen die we hier hebben staan moeten hersteld worden. De restauratie van dit belangwekkende cultuurhistorisch erfgoed kost ongeveer 2 ton per kas. Rekening moet worden gehouden met het feit dat áls de kassen gerestaureerd zijn, zij nauwelijks iets opbrengen en de investering niet kan worden terugverdiend. De subsidies die we kunnen aanvragen zijn volstrekt ontoereikend. Soms voelt het alsof ik in een Don Quichot-gevecht ben beland". Bronnen van inkomsten kunnen verder worden gevonden in het verpachten van boerderijen, restaurant Maurits Hoeve, de landbouwgrond en de historische moestuin op het landgoed. Deze laatste wordt nu uitgebaat door een biologische tuinder. "Van vroeger weet ik nog dat we soms wekenlang tuinbonen aten. Nu kan ook de gemeenschap genieten van de opbrengst uit deze tuin!", aldus Otto van Boetzelaer.

Toekomst

De jongste generatie Van Boetzelaer, Matthias Rutger (1985), is trots op de historie van Eyckenstein en geniet van de rust wanneer hij er in het weekend thuis is. Over een eventuele toekomst als buitenplaatseigenaar heeft hij nog geen vastomlijnde ideeën. "Het zal een uitdaging zijn om deze verantwoordelijkheden met een baan te combineren. Voorlopig concentreer ik me op mijn studie." Zijn vader schetst het volgende scenario: "Een mogelijke constructie is een juridische eenheid waarbij de familie de aandeelhouders vormen. Op die wijze kun je het behoud van het cultuurhistorische erfgoed beter waarborgen zonder dat deze verantwoordelijkheid op de schouders van een persoon rust. Hoe het met Eyckenstein verder gaat kunnen we niet voorspellen, maar het is een feit dat het beheren van een landgoed een uitdaging is, zowel nu als in de toekomst".

Moderniseringen

Net als andere landhuizen is ook Eyckenstein vele malen verbouwd. Vaak was dit praktisch ingegeven om het woongemak te vergroten. Wanneer we arriveren voor dit interview valt bijvoorbeeld al op dat de hoofdingang van het huis niet achter de enorme  zuilenportiek schuilt waar je deze zou verwachten, maar dat deze is gesitueerd aan de achterkant van het huis. We treden binnen in de hal die ooit de grote eetkamer vormde. Het gesprek vindt vervolgens plaats in de kleine eetkamer, vroeger de opkamer. Deze kamer lag iets hoger dan andere kamers vanwege de ondergelegen kelder. In een verbouwing is deze kelder buiten gebruik geraakt en is de vloer gelijk getrokken met de rest van de begane grond.

Op Eyckenstein was het al heel vroeg mogelijk om een warm bad te nemen. Zo rond 1880 werd water opgepompt uit de waterput voor het huis. In het koetshuis vervolgens, werd het ijzerrijke water gefilterd met behulp van koolstoffilters. Daarna werd het naar het waterreservoir in de badkamer gedistribueerd, waar het werd verwarmd door een aparte kachel. De telefoon daarentegen deed pas laat zijn intrede. De overgrootvader van Otto van Boetzelaer koos ervoor om dit zo lang mogelijk uit te stellen. Het bellen ervaarde hij als inbreuk op de privacy. Indien nodig  kon men bellen naar de 400 meter verderop wonende rentmeester die wel over een telefoon beschikte. Deze bracht het bericht vervolgens over.

Websites en literatuur

Website Eyckenstein

Ronald van Immerseel, Lex van Boetzelaer, Otto van Boetzelaer [et al.], Eyckenstein. Op de grens van zand en veen, Utrecht 2010.

 



Youtube

Facebook

Twitter