$currentPage/titel

Van tuinbaas naar buitenplaatsbeheerploeg

De buitenplaatsbeheerploeg aan het werk. Bron: Landschap Erfgoed Utrecht Een groot deel van de buitenplaats wordt gevormd door het groen. Het landhuis wordt vaak omgeven door tuinen, moestuinen, wandelpaden en eventueel parken en bos. Waar vroeger een tuinbaas met knechten verantwoordelijk waren voor het groenonderhoud, worden deze taken nu meestal door een enkele tuinman of hoveniersbedrijf verricht. In de provincie Utrecht is nu gestart met een buitenplaatsbeheerploeg die bestaat uit vrijwilligers die door een professionele kracht worden aangestuurd.

Jan Klomp van Landschap Erfgoed Utrecht verzorgt de coördinatie: "Het accent ligt op het in goede staat houden van de historische tuinaanleg. Aan de hand van oude foto's en plattegronden benaderen we zo veel mogelijk de oorspronkelijke aanleg. Daarbij houden we rekening met oude eiken en de vroegere moestuin, boomgaard, padenstructuur of ommuring."

Een functie met aanzien

In de periode 1600-1900 was de tuinbaas een persoon met hoog aanzien. Zijn kennis en kunde bepaalden mede het aanzien van de buitenplaats. Hij werkte alleen of met tuinknechten, tuinjongens en manusjes van alles. Vaak was hij ook verantwoordelijk voor het verzorgen van het vee en voor het onderhoud van het omringende bos. Wanneer er gasten kwamen in het weekend, verrichte hij soms ook ondersteunende werkzaamheden zoals vervoer van de gasten, onderhoud van de koets en verzorging van de paarden. Dat is nu niet meer het geval; de buitenplaats wordt permanent bewoond door een particuliere eigenaar of heeft een nieuwe bestemming gekregen als museum, kantoor, conferentieoord of feest- en trouwlocatie. Het onderhoud van het groen blijft echter nodig. Daarbij moet rekening worden gehouden met de eenheid tussen tuin- en parkaanleg. Door opdrogende subsidies en stijgende loonkosten van tuinlieden, is het groenonderhoud een financiële uitdaging geworden.

Het scheren van de beukenhaag. Bron: Landschap Erfgoed Utrecht

Zomer- en winterklussen

De buitenplaatsbeheerploeg, die uit vrijwilligers bestaat, kan dan uitkomst bieden. Jan Klomp is begin 2012 gestart met een pool van ongeveer 20 vrijwilligers die minstens één dag per week beschikbaar zijn. Hij zorgt ervoor dat ze allemaal een cursus hovenierswerkzaamheden krijgen en maakt de planning van de ploegen die telkens uit gemiddeld vijf vrijwilligers bestaan. Een professionele kracht stuurt de ploeg ter plaatse aan waarbij, al naar gelang het seizoen, verschillende werkzaamheden worden verricht. Jan Klomp: "In de lente en zomer worden rozen gesnoeid en beuken- en taxushagen geschoren. Ook grovere klussen zoals het snoeien van heesters en het planten van bomen vinden dan plaats. In de winter verrichten we werkzaamheden waar we in de zomer niet aan toekomen, zoals het herstellen van paden en het verwijderen van dode bomen. Maar ook het ruimen van blad en snoeien van struiken en bomen gebeurt in deze periode."

Overdekte wandelpaden

Tussen het historische groen van een buitenplaats tref je soms ook een berceau aan. Dit wandelpad dat met loof is bedekt, stamt uit de tijd dat adellijke dames er graag zo blank mogelijk uit wilden zien. De heggen zijn aan de bovenkant aan elkaar gegroeid of verbonden waardoor een tunnel ontstaat. In een berceau kon men daarom buiten wandelen en tóch uit de zon blijven. Jan Klomp: "Op buitenplaats Valkenheining in Baambrugge is de berceau van perenbomen. Je treft ze ook aan van kastanjes of beuken. Op deze buitenplaats zijn we ook bezig met het scheren van beukenhagen die wat achterstallig onderhoud hebben. Voor de onderkant volstaat een trapladder, maar om de top ervan af te halen hebben we stellingen nodig. De bedoeling is dat deze heg weer een fraaie ronde vorm krijgt aan de bovenkant. Voor de toekomst willen we ons met de beheerploeg ook toeleggen op het snoeien van leifruit. Het gaat daarbij om fruitbomen zoals appels, peren en kersen waarvan de takken door een houten rek worden geleid. Zo kan een rijtje bomen dicht tegen een muur worden geplaatst of fungeren als haag".

Slangenmuur

Slangenmuur Zuylen. Bron: HUA Veel gewassen die op buitenplaatsen werden geteeld waren niet van Nederlandse origine. Om de Nederlandse winter te doorstaan werden slimme oplossingen bedacht. Zo werden kassen tegen een tuinmuur geplaatst voor een natuurlijke verwarming. Op die manier konden tafeldruiven worden geteeld, zoals ook gebeurde op Hindersteyn. Ook de slangenmuur zorgde ervoor dat de warmte bleef hangen. Binnen de nissen van deze gebogen muur, die zo de vorm van een slang aanneemt, was het mogelijk om vruchten zoals perziken, vijgen en abrikozen te laten groeien. Bovendien was het 'moeilijke' fruit op deze manier beschermd tegen de wind, waardoor het veel beter kan rijpen. In de tuin van slot Zuylen kan nog steeds zo'n muur worden bewonderd.

Stinzenplanten bosanemoon. Bron: Landschap Erfgoed Utrecht

Stinzenflora

Typische beplanting op buitenplaatsen zijn de stinzenplanten. Dit zijn bol- en knopgewassen die oorspronkelijk van buiten Nederland zijn aangevoerd en na aanplanting zijn verwilderd. Het zijn doorgaans voorjaarsbloeiers, waartoe ook het bekende sneeuwklokje behoort. Andere soorten zijn het lenteklokje, daslook, herfsttijloos, vogelmelk, de wilde narcis en de wilde hyacint. Stinzenflora komt alléén voor op plekken als (voormalige) stinzen en states (de Friese benamingen voor burcht of landhuis), oude boerenhoeven, pastorie- en kloostertuinen of kerkhoven, stadswallen en slotheuvels. Omdat ze zo kleurrijk en mooi zijn, werden ze vroeger ook op buitenplaatsen aangeplant. Alle planten die ook daarbuiten gedijen, behoren niet tot de stinzenflora. 

Websites en literatuur

Stinzenplanten op Wikipedia

De slangenmuur van Slot Zuylen op website Collectie Utrecht

Gertrudis A.M. Offenberg, De tuinbaas en zijn buitenplaats. Werken in historisch groen, Zwolle 2010, pp. 72-79.

 

 

 



Youtube

Facebook

Twitter